Fragmenten
Mijn jeugd op Java

Op mijn tiende verjaardag kreeg ik van mijn vader een paar Zwitserse schaatsen.
Dat was voor mij een rijk bezit, vooral omdat ik nog nooit eigen schaatsen had gehad.
Ik heb namelijk leren schaatsen op de schaatsen van mijn vader. De jongens riepen mij dan wel na of ik kamertjes te huur had, vanwege het stuk schaats
dat achter mijn schoenen onbezet bleef. Maar dat deerde mij niet. U kunt zich misschien
wel mijn blijdschap voorstellen, toen mijn vader voor zijn werk uit Zwitserland terugkwam
en voor mij deze prachtige kunstschaatsen meebracht. Er op gereden heb ik nooit,
want vijf dagen later zat ik samen met ons hele gezin, mijn ouders en drie broers,
op een schip op weg naar wat toen nog Nederlands Oost-Indië heette. Dat was in februari 1913.

Zes weken later kwamen we in Tandjungpriok aan en reisden wij per trein verder naar Cheribon. Dit was het doel van onze reis. Wij begonnen een nieuw leven in een nieuw land. De eerste dag dat we naar school gingen, ging mijn vader mee om ons aan het schoolhoofd af te leveren. Wat was het vreemd voor ons in de klas, er zaten meer bruine kinderen dan blanke kinderen maar toch spraken ze allemaal Nederlands. Wat werden wij in het begin geplaagd voor ‘Totok’(nieuweling). Totdat zij zagen dat wij ook heel goed mee konden doen en bij gelegenheden niet bang waren om een robbertje te vechten. “Wacht maar”, zeiden ze dan, om één uur achter het telefoonhuisje op de Aloon-aloon.”(plein).  “Wat wil je” vroegen wij dan Kloppen (boksen) of Bantingan (worstelen)?” Om één uur gingen dan alle kinderen van de school in optocht mee. De ophitsingen waren niet van de lucht. “Pak zijn neus”, zeiden zij dan. Dit was bedoeld om een begin te maken en als teken dat zij niet bang waren. Na één uur was je vrij en je had de hele middag voor je zelf om te doen waar je zin in had. En dat deden wij dan ook.

Je kon gaan waar je maar wilde nergens stond een bord, met verboden toegang artikel 31 van het strafwetboek, zoals dit in Nederland gebruikelijk is. Vaak gingen we met een stel jongens zwemmen in ‘Kali Kroetjoek’ (een rivier even buiten Cheribon). Zwemmen was het liefste wat wij deden in die hitte. Veel kleding had je niet aan. Een broekje met een ‘Badjoe tjina’(jasje van katoen). Een handdoek hadden wij niet nodig na het zwemmen, wij droogden vanzelf wel op. Soms waren wij aan het zeestrand. Dat was niet zoals in Scheveningen van dat prachtige mooie witte zand. Nee, het was modder met onnoemelijk veel gaten waar krabben in weg vluchten als wij dichterbij kwamen. Meestal waren we gewapend met een katapult. Niet één van een fietsband maar van een autoband van minstens een halve meter lang. Verder hadden we er een leertje bij nodig dat we bij de Chinese schoenmaker haalden en een vork van een boomtak. Om die vork te vinden was geen eenvoudige zaak. De vorm en dikte moesten goed zijn. En de vork mocht niet te wijd uit elkaar staan. Ook moest het van goed hout zijn, bijvoorbeeld van Djamboe- of Sawohout. Als wij er in slaagden om een goede vork te vinden van het juiste hout, werd alles zorgvuldig gemaakt. Wij krabden de vork kaal met een glasscherf totdat deze geheel glad was. Dan hadden wij een wapen met een uitwerking van een 6 mm. geweer.

Wij kregen al gauw grote vaardigheid met het schieten hiermee en niets was meer veilig voor ons. Van een manga die hoog in de boom hing, schoten wij het steeltje door zonder de vrucht te raken. Wij woonden op het terrein van de gasfabriek. Op dat terrein stonden zesentwintig verschillende soorten bomen, veel ‘Klapperbomen’ (kokosnootbomen), manga-, sawoh-, blimbing, djamboebomen en andere vruchtbomen. Deze tuin was zo groot dat deze op zichzelf al een jachtterrein was. In alle bomen, die behoorlijk hoog waren, konden we klimmen. Niet zoals in Nederland met schoenen aan maar met blote voeten waardoor wij meer houvast hadden. Ja, wat hadden wij een heerlijke jeugd en een fijne vader die dit allemaal maar goed vond. “Je moet er geen kasplantjes van maken”, zei mijn vader vaak tegen mijn moeder als ze weleens angsten had om ons.

Op een keer stond het water in de ‘Kali Baroe’ zo hoog na een zware regenval dat het water met een geweldige vaart vlak onder de brug stroomde. Het was bruin drabbig water. Hoe we het in ons hoofd haalden weet ik nog niet maar we sprongen van de brug af in die snel stromende rivier. Het ging zo snel dat we pas honderd meter verder weer boven kwamen en wij hard moesten zwemmen om aan de kant te komen, daar wij anders de zee in spoelden. Daar wist mijn moeder niets van en wij zorgden er wel voor dat ze het niet te weten kwam.

Fragment 2

Bij het schrijven van de epiloog, kwam ook het oude poesiealbum van Willy tevoorschijn. Hierin staat een gedicht over het kamp Solo waar de Annemarie en Willy samen verbleven. Annemarie die dit gedicht geschreven heeft was toen 15 of 16 jaar oud.
 

Hier in die mooie, ruime wijk
Daar heb je een reuze leven!
De onbeschermde stakkers buiten
Zouden er wat voor willen geven…..
 
Hier in die echte Hollandse wijk
Daar leer je Hollands werken:
Geen baboe, djongos of kebon,
Gebruik je eigen vlerken!
 
“Mevrouw, de melkboer en de bakker!”
Wat een bekende klank toch weer
Mevrouw keurig in house-coat schrijdt naar buiten
Allicht, het is nu een melkmeneer!
 
Hier in dit verre stukje Holland
Herleeft der vaderen handelsgeest
‘Arang, koppue, ês blok, ontbêtkoek’
Zijn nooit zo populair geweest.
 
De Hollanders hebben gemeenschapszin, weet je
Die deugd wordt door hen intensief bestudeerd
Dus windt men zich mateloos op over buurvrouw
"Die van deze oorlog nog niets heeft geleerd."
 
Hier in de wijk der uitverkorenen
Daar wordt geen wanklank gehoord
De propere Hollandse vrouwen ze houden
De bezem en dweil harmonisch onverstoord
 
Hier achter het veilige prikkeldraad
Leiden we een opwindend babybox bestaan
Ik vrees voor later, als we, uit dit paradijs verdreven
In bandenloze vrijheid verder moeten gaan…..
 
16-3-43 (2603)
 
A.M.Kijlstra
 
Toelichting op het gedicht:
1e gedicht, zin 4; Donkere mensen mochten in hun eigen huis blijven wonen.
3e gedicht, zin 4; ‘Melkmeneer’ vroeger waren dat inlandse mensen.
Arang; houtskool, koppue; koffie, ês blok; ijsblok.
 
2603; het nummer van de geïnterneerde.



    Deze afbeelding van het poezie-albumgedicht 
    staat niet in het boek afgebeeld.